Twentelife 89 – Tukker Abroad
Tekst Suzanne van Gaale – Fotografie Rikkert Harink
Voor Norman zijn klassieke auto’s veel meer dan blinkend erfgoed in een garage. Het zijn verhalen op vier wielen, machines waarmee je moet rijden en beleven. Van een McLaughlin uit 1912 tot een bloedsnelle Ford Capri uit 1973: Normans collectie is net zo veelzijdig als zijn passie voor klassieke auto’s groot is. Toch hebben ze allemaal iets gemeen. Ze zijn zeldzaam én snel. Het liefst allebei.
‘Het leven is te kort om te verkloten. Dus alles wat ik doe, doe ik vol gas.’ Dit is precies hoe Norman in het leven staat. “Mijn ouders overleden allebei op relatief jonge leeftijd. Dat heeft mij geleerd om niet te veel uit te stellen en vooral te doen wat mij gelukkig maakt. Ik houd ervan om dingen te ondernemen.” Doordeweeks is hij directeur van BMD Advies, in zijn vrije tijd spendeert hij de nodige uren op zijn landgoed in Hengevelde of tussen zijn klassieke auto’s.
Hoe het begon
Norman kocht zijn eerste oldtimer samen met zijn vrouw Monique, toen ze ergens in de twintig waren. Een Volkswagen Kever. Later volgde een Jensen Healey. Beide auto’s zijn inmiddels verkocht, want dat hoort ook bij verzamelen, vindt hij. Want hoewel hij graag mooie auto’s bezit, is de ruimte niet onbeperkt. “Als ik iets moois zie, koop ik het. Maar ik heb niet onbeperkt de ruimte, dus soms moet er toch iets verkocht worden.” Zo groeide in de loop der jaren een collectie van acht zeer uiteenlopende klassiekers, ieder met een eigen verhaal.
Een auto uit 1912
De oudste auto in de collectie is een donkerblauwe McLaughlin uit 1912. Wie erin rijdt, ervaart hoe autorijden ruim honderd jaar geleden moet zijn geweest. Even de sleutel omdraaien en starten is er niet bij. De motor moet met een slinger aan de voorkant van de auto tot leven worden gebracht. Eerst moet het handgas goed worden ingesteld en de ontsteking juist staan. Daarna komt het fysieke werk: aan de slinger draaien om de motor rond te krijgen. “In deze auto ervaar je echt hoe het autorijden er ruim honderd jaar geleden aan toeging. Het is met recht een hele beleving.”
Verhalen op vier wielen
De verhalen erachter is wat Norman zo aantrekt in klassieke auto’s. Hij wil weten waar de auto vandaan komt. “Het uitzoeken van die geschiedenis kan soms maanden of zelfs jaren kosten. En niet alles is meer te achterhalen.” Bij zijn Lancia Artena uit 1938 is al veel boven water gekomen. Hij weet dat de Lancia in 1938 op de AutoRAI heeft gestaan. Van vrijwel alle eigenaren na de Tweede Wereldoorlog heeft Norman de namen kunnen achterhalen. “Tijdens de oorlog heeft de auto vermoedelijk ergens in een hooiberg gestaan. Daarmee zou hij één van de relatief weinige auto’s zijn die de oorlog in Nederland hebben overleefd. Ik wil nog naar het Nationaal Archief om een dossier in te zien van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, waarin informatie kan staan over in beslag genomen auto’s. Het is heel waarschijnlijk dat de auto in die tijd is gereden door iemand die fout was in de oorlog. Dat moet ik nog verder uitzoeken.”
Van wrak tot exclusieve klassieker
Een andere bijzondere auto in de collectie is de knalblauwe Lagonda LG45 uit 1937. Die is zonder twijfel Normans favoriet. De Lagonda was in 1937 de snelste productieauto ter wereld. Hij kon 180 kilometer per uur halen en er zijn nog 93 exemplaren van over. “Ik heb er onder meer op het Circuit van Zandvoort mee gereden. Hij is stoer en lekker vlot om mee te rijden. Dit is nog echt rijden. Hiermee is autorijden echt een beleving.” Dat laatste is belangrijk. Want hoe bijzonder zijn collectie ook is, Norman verzamelt de auto’s niet om ze stil te zetten. “Met de Lagonda rijd ik regelmatig. Zelfs voor de meest alledaagse ritjes zoals het wegbrengen van het oud papier.”
Een asobak die niemand herkende
De jongste auto van de collectie is meteen een opvallende verschijning: een geelzwarte Ford Capri Perana V8 uit 1973. Wereldwijd zijn er nog ongeveer honderd van de gebouwde vijfhonderd. Norman kocht hem dit jaar. Ongezien. De auto werd in Zuid-Afrika gebouwd voor de race- en rallywereld. Wie hem ziet, zal misschien niet meteen denken aan een zeldzaam stukje autogeschiedenis. “‘Hij ziet er uit als een asobak. Maar wel eentje die razendsnel is. Bruut zelfs. De auto was in 1973 zelfs sneller dan een Lamborghini. Juist die combinatie van snelheid en zeld-
zaamheid kon ik niet weerstaan. Ik heb hem kunnen kopen juist omdat hij, op de veiling, niet als zeldzaam werd herkend.”
Restauratieproject
Wie acht klassieke auto’s bezit, moet wel een beetje handig zijn en kunnen sleutelen. Dat zou Norman ook het liefste willen doen, alleen ontbreekt het hem aan één belangrijk onderdeel: tijd. Daarom komt er één dag per week een monteur naar het landgoed. Iemand met veel kennis van klassieke auto’s. Samen met Normans zoon werkt hij onder andere ook aan de Daimler Straight 8. “Het is een bijzonder project, want deze auto wordt niet alleen opgeknapt. We bouwen hem opnieuw op, op basis van originele onderdelen.”
Rijden, rijden, rijden
De Daimler is daarmee de vreemde eend in de bijt binnen de collectie. Norman koopt zijn auto’s normaal gesproken in goede tot zeer goede staat. Een volledige restauratie is immers kostbaar. “Met auto’s moet je rijden. Het moeten geen dingen zijn die stilstaan in een garage. Je moet ervan genieten.” Dat doet hij dan ook volop. Gemiddeld rijdt hij acht tot tien rally’s per jaar. Van de Il Dolce Vita Rally rond het Lago Maggiore in Italië tot de Tulpenrally, de Miles of Mystery, de Oranje Rit Twente, de Rit om de Hertzberger Trofee, de IJssellandrally en de Miglia Daventria.
Van passie naar plezier voor een ander
De liefde voor klassieke auto’s brengt Norman niet alleen zelf plezier. Hij gebruikt zijn netwerk van ondernemers en autoliefhebbers ook om iets voor anderen te betekenen. Sinds vijf jaar is hij voorzitter van de sMiles Foundation. Deze stichting organiseert een bijzondere dag voor kinderen die uit huis zijn geplaatst. “Deze kinderen hebben vaak een behoorlijke rugzak. Maar op de dag die wij organiseren zijn ze onder elkaar en zijn ze even niet anders dan anderen.” Samen met ongeveer tachtig vrijwilligers, onder wie veel rallyliefhebbers, zorgt de stich-
ting voor een dag vol avontuur en plezier. “Dat geeft heel veel voldoening. Het kost ook geen moeite om ieder jaar weer genoeg rijders bij elkaar te krijgen.
De liefde voor auto’s is groot, maar de bereidheid om er iets mee te doen voor een ander is minstens zo groot.”
Ooit nog een Grand-Prix-auto?
Een specifieke auto die hij nog aan zijn collectie wil toevoegen, heeft Norman eigenlijk niet. Dat past ook niet bij zijn manier van verzamelen. De mooiste exemplaren komen bij hem vooral op het juiste moment op zijn pad. Toch heeft hij één grote droom: ooit een vooroorlogse Grand-Prix-auto vinden. Het liefst ergens in een oude schuur, waar hij jarenlang vergeten heeft gestaan. “Het gebeurt niet veel meer, maar je weet maar nooit. Een paar keer per jaar word ik gebeld met een verhaal dat begint met: opa is overleden en er staat nog een auto in de schuur. Dan is natuurlijk de vraag: wat staat daar? Ik heb een hele collectie autoboeken waar heel veel in staat, maar je weet niet wat morgen op je pad komt. Het kan van alles zijn.”

